For best experience please turn on javascript and use a modern browser!
uva.nl

Het studieprogramma van Biomedische wetenschappen is opgebouwd aan de hand van een aantal inhoudelijke thema’s, die tijdens je studie terugkomen. Meestal komen verschillende thema’s samen in een vak. Zo bouw je je kennis en vaardigheden stapsgewijs op. De thema’s die aan bod komen zijn: Moleculaire celbiologie & Biochemie, ’Omics’ en Systeembiologie, Mechanismen van Ziekte en Academische en Laboratoriumvaardigheden.

Opbouw studiejaar

Een studiejaar bestaat uit twee semesters die weer zijn opgedeeld in drie blokken. Je volgt doorgaans twee vakken met hoorcolleges, werkcolleges en practica. De meeste vakken worden afgesloten met één of meerdere toetsen, zoals een schriftelijk of mondeling tentamen, een werkstuk of een eindpresentatie.

  • Het eerste jaar

    In het eerste jaar leg je een stevige basis in de biomedische wetenschappen. Je begint bij het bestuderen van het kleinste deel in biomedische processen; het molecuul. Van daaruit bouw je je kennis op en verdiep je je in de cel, micro- organismen, dieren en de mens. Zo leer de de processen in het menselijk lichaam begrijpen en weet je aan het eind van het eerste jaar hoe mechanismen van ziekten in elkaar zitten en hoe je daarop kun ingrijpen. Naast de theorie volg je veel practica die je helpen de theorie te begrijpen. Ook krijg je wiskunde en statistiek, dit heb je nodig om bijvoorbeeld genoomgegevens te verwerken.

    Naast deze inhoudelijke kennis, volg je ook 'highlightcolleges': onderzoekers van de UvA, het Nederlands Kankerinstituut en Sanquin geven inzicht in de nieuwste ontwikkelingen in het vakgebied en de diagnostiek en therapie in de geneeskunde. Naast de (werk)colleges doe je ook veel practica.

    In het eerste jaar heb je een vaste mentorgroep van ongeveer 15-20 studenten waarmee je werkt aan het ontwikkelen van je academische vaardigheden, zoals het schrijven van een wetenschappelijk paper en het presenteren van je onderzoeksresultaten.

  • Het tweede jaar

    In het tweede jaar ga je verder in op de onderdelen uit het eerste jaar en maak je kennis met de nieuwste techniek om het functioneren van cellen en organen te visualiseren. De vakken in het tweede jaar omvatten:

    • Theoretische en praktische vakken over biochemie, celbiologie, immunologie en moleculaire biologie
    • Microscopietechnieken om in levende cellen biochemische processen te bestuderen
    • Genoomanalysetechnieken en hoe de data ervan te interpreteren
    • Het schrijven van een essay (in het Engels) over een biomedisch onderwerp dat jou aanspreekt.

    Aan het einde van het tweede jaar maak je een keuze voor de richting waarin je je in het derde jaar wilt specialiseren.

  • Het derde jaar

    In het eerste semester van het derde jaar specialiseer je je in een onderwerp in de biomedische wetenschap. Je kunt kiezen uit verschillende specialisaties:

    • Frontiers in Medical Biology (Engelstalig)
    • Neurobiologie
    • Patiëntgericht onderzoek 

    Of je kunt een (educatieve) minor doen of vakken volgen bij een andere opleiding in Nederland of in het buitenland.

    In het tweede semester heb je nog ruimte voor keuzevakken en werk je aan je bachelorproject. In je bachelorproject doe je tijdens een stage zelfstandig wetenschappelijk onderzoek, waarin je je biomedische kennis en vaardigheden toepast. Je rondt het bachelorproject af met een uitgebreid (Engelstalig) verslag. Je kunt er ook voor kiezen om in plaats van keuzevakken te volgen, gelijk met je bachelorproject te starten en vijf maanden onderzoek te doen. Na afronding van je studie krijg je de titel Bachelor of Science (BSc).

Curriculum schema: het studieprogramma in één oogopslag

Digitale studiegids: informatie over alle vakken (2019-2020)

Een typische week bij Biomedische wetenschappen

Biomedische wetenschappen is een voltijdstudie. Dat betekent dat je ongeveer 40 uur per week met je studie bezig bent. Naast 20 tot 24 uur aan colleges, practica en werkgroepen besteed je de rest van de week volledig aan zelfstudie. Bij Biomedische wetenschappen gebruiken we de volgende onderwijsvormen:

  • Hoorcollege
    Tijdens hoorcolleges legt de docent de stof uit en krijg je de gelegenheid om vragen te stellen.
  • Werkcollege
    Tijdens een werkcollege oefen je met de stof die tijdens het hoorcollege is besproken. Dit doe je in kleinere groepen van ongeveer 20-30 studenten onder begeleiding van een docent.
  • Mentorgroep
    Bij een mentorgroep oefen je je academische vaardigheden, zoals het schrijven van een onderzoeksverslag en het presenteren van wetenschappelijk onderzoek. Mentorgroepen bestaan uit ongeveer 15-20 studenten.
  • Practicum
    Tijdens een practicum bestudeer je in een laboratorium preparaten en/of doe je proeven die betrekking hebben op de geleerde stof.
  • Computerpracticum
    Tijdens computerpractica simuleer je proeven of maak je modellen van complexe biologische processen.